Wanneer  ik erlangs liep, hoorde ik haar al voordat ik haar zag. Een zacht gezoem hing boven de paars-roze bloemen. Honingbijen, hommels, wilde bijen, zweefvliegen en af en toe een vlinder. Het leek alsof iedere bloem bezet was.

Ik bleef een tijdje kijken. En ineens vroeg ik me af: hoe weten bijen wat ze moet doen?
Hoe weet een honingbij bijvoorbeeld dat ze vandaag nectar moet verzamelen? Of pollen? Of water? Of hars voor propolis?

Heel even stelde ik me een bijenkast voor waarin ’s morgens een vergadering wordt gehouden.

‘Jullie vliegen vandaag naar de oregano.’
‘Jullie halen water.’
‘En jullie blijven binnen om voor de larven te zorgen.’

Natuurlijk werkt het niet zo. En toch lijkt het alsof iedere bij precies weet wat er op dat moment nodig is.

Een bijenkolonie draait op samenwerking

In een honingbijkolonie leven in de zomer soms wel 30.000 tot 60.000 bijen.

De meeste werksters doorlopen gedurende hun leven verschillende taken. In de eerste weken werken ze vooral ín de kast. Ze maken cellen schoon, verzorgen larven, bouwen mee aan de raten, verwerken nectar en bewaken de ingang.

Pas later vliegen ze uit om voedsel en andere grondstoffen te verzamelen.

bij bij kaardenbol

Ook onder de bijen die uitvliegen ontstaat een zekere taakverdeling. Sommige richten zich vooral op nectar, andere op pollen.

Op warme dagen halen andere werksters water, onder meer om door verdamping de temperatuur in de kast te helpen reguleren.

En een kleiner deel verzamelt hars van bomen en knoppen. Die hars wordt verwerkt tot propolis, waarmee bijen onder andere kieren afdichten en die mede helpt om de kast te beschermen tegen ziekteverwekkers zoals bacteriën en schimmels.

Een werkster kan zich gedurende een bepaalde periode dus vooral richten op één soort grondstof.

Nectar en pollen zijn niet hetzelfde

Toen ik me verder in bijen ging verdiepen, ontdekte ik dat nectar en pollen een heel verschillende functie hebben.

Nectar is een zoete vloeistof die door bloemen wordt geproduceerd. Ze bestaat voornamelijk uit suikers en is een belangrijke energiebron voor bijen.

Honingbijen slaan nectar tijdelijk op in hun honingmaag en brengen haar naar de kast. Daar wordt de nectar doorgegeven aan andere werksters, verder verwerkt en ingedikt, totdat uiteindelijk honing ontstaat.

Pollen, oftewel stuifmeel, is heel anders. Het bevat onder andere eiwitten, vetten, vitamines en mineralen.

Voor een bijenkolonie is pollen onmisbaar bij het grootbrengen van jonge bijen. Voedsterbijen eten het stuifmeel en gebruiken de voedingsstoffen onder andere voor de voedersappen waarmee zij de larven verzorgen.

De pollenverzamelaars kun je vaak gemakkelijk herkennen aan de gele, oranje of soms bijna witte bolletjes aan hun achterpoten. Dat zijn zorgvuldig verzamelde stuifmeelkorrels.

bij met pollen aan haar pootjes bij paardenbloem

En ineens kijk je anders naar een bij.

De ene komt thuis met een honingmaag vol nectar. De andere met twee kleine pollenpakketjes aan haar achterpoten.

Allebei leveren ze een andere bijdrage aan hetzelfde geheel.

Maar wie bepaalt dat?

En misschien is dat wel de grootste verwondering. Er lijkt niemand de leiding te hebben.

De koningin geeft geen opdrachten aan individuele werksters. Ook is er geen enkele bij die het overzicht heeft over alles wat er in en rond de kast gebeurt.

Toch ontstaat er een opmerkelijk goed georganiseerde samenwerking.
Dat kan doordat duizenden bijen ieder voortdurend reageren op kleine signalen uit hun directe omgeving.

Hoeveel broed er is. De temperatuur in de kast. Geuren. De beschikbaarheid van voedsel.
Hoe gemakkelijk een terugkerende haalbij haar nectar kwijt kan aan andere werksters.

Ook de informatie die bijen onderling uitwisselen speelt een rol. Via de waggeldans kunnen succesvolle foerageerders andere bijen bijvoorbeeld informatie geven over de richting en afstand van een aantrekkelijke voedselbron.

Een individuele bij hoeft dus helemaal niet te weten wat de hele kolonie nodig heeft. Ze hoeft alleen te reageren op wat zij op dat moment waarneemt. En uit duizenden van zulke kleine reacties ontstaat op het niveau van de kolonie een georganiseerd geheel.

Geen enkele bij overziet het hele systeem. Toch lijkt het volk als geheel precies te kunnen reageren op wat er nodig is.

Biologen spreken daarom bij honingbijen ook wel over een superorganisme: duizenden afzonderlijke dieren die samen functioneren op een manier die in sommige opzichten doet denken aan één levend organisme.

Oregano met andere ogen bekijken

Sinds ik dit weet, kijk ik anders naar een bloeiende oregano. Ik zie niet meer alleen een plant vol bloemen, maar tientallen kleine verhalen die zich tegelijkertijd afspelen.

Een honingbij die nectar verzamelt. Een andere die pollen mee naar huis neemt. Een hommel die diep in een bloem verdwijnt. Een bij die verderop in het vijvertje water haalt.

bij in bieslookbloem

Honingbijen zijn trouwens maar één deel van de grote bijenwereld. Wil je weten waarom juist wilde bijen onze aandacht nodig hebben en wat je zelf voor ze kunt doen? Lees dan ook: Hoe kunnen we de bij het beste helpen?

Iedere bezoeker komt met een eigen behoefte en een eigen taak. En toch ontmoeten ze elkaar op dezelfde plant.

Misschien is dat wel de grootste les

Hoe langer ik naar de natuur kijk, hoe vaker ik hetzelfde patroon ontdek.

Niet alleen bij bijen, maar ook in een bos, in de bodem, in een vijver en eigenlijk overal.
Wij mensen kijken gemakkelijk naar losse planten, losse dieren en losse organismen.

Maar misschien gebeurt een groot deel van wat een ecosysteem goed laat werken juist daartussen.

In de relaties. In de uitwisseling. In al die reacties die dieren en planten en omgeving op elkaar hebben.

oregano in bloei

Misschien is dat wel waarom een bloeiende oregano me zoveel verwondering geeft.
Op het eerste gezicht zie je alleen een plant met kleine blaadjes en paars-roze bloemetjes.
Maar als je even blijft staan en echt kijkt, ontvouwt zich een hele wereld.

Misschien is de vraag uiteindelijk niet hoe één bij weet wat ze moet doen.

Misschien is de grotere verwondering hoe tienduizenden bijen, die ieder maar een klein stukje van het geheel kennen, samen iets kunnen vormen dat zoveel groter is dan ieder afzonderlijk.